Ruim 2.250 Limburgers gingen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitse militaire dienst. Meer dan 60 procent van hen kwam terecht bij de Waffen-SS en bijna één op de vijf overleefde de oorlog niet. Historicus en auteur Wilbert Manders deed negen jaar onderzoek naar deze Limburgers en hun beweegredenen. In het programma De Week van Hier van Omroep P&M vertelt hij over zijn bevindingen.
Manders onderzocht duizenden dossiers in binnen- en buitenlandse archieven. Alleen al in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) bekeek hij meer dan 2.500 persoonsdossiers. Zijn onderzoek resulteerde in het boek Militaire collaborateurs, met als ondertitel Zuiderlingen in Duitse militaire dienst.
Het onderwerp houdt Manders al lange tijd bezig. Hij wilde niet alleen weten waarom Limburgers ervoor kozen om voor de Duitsers te vechten, maar ook wat zij tijdens de oorlog meemaakten en hoe hun leven na de bevrijding verliep.
Het grootste deel van de onderzochte Limburgers kwam uit Zuid-Limburg. Volgens Manders was ongeveer 70 procent afkomstig uit de mijnstreek. Ook Noord- en Midden-Limburg waren vertegenwoordigd. Uit beide regio's kwam ongeveer 15 procent van het totaal.
Daarmee ging het om honderden mannen en vrouwen uit Noord- en Midden-Limburg die tijdens de oorlog in Duitse militaire dienst terechtkwamen.
Uit het onderzoek blijkt dat mensen om uiteenlopende redenen voor de Duitsers kozen. Manders onderscheidt acht belangrijke motieven. Politieke overtuiging, ideologie en opportunisme speelden een grote rol.
Sommigen waren overtuigd nationaalsocialist en wilden tegen het communisme vechten. Anderen zagen een kans om meer geld te verdienen of hun maatschappelijke positie te verbeteren.
Ook de verplichte tewerkstelling in Duitsland speelde een rol. Door zich aan te sluiten bij bepaalde Duitse militaire organisaties konden jonge mannen in sommige gevallen aan die arbeidsinzet ontsnappen.
Volgens Manders waren de beweegredenen niet altijd eenvoudig. Hij kwam bijvoorbeeld gezinnen tegen waarin de ene broer voor de Duitsers vocht, terwijl een andere broer bij de geallieerden diende.
Een van de meest confronterende ontdekkingen was volgens Manders dat ruim zestig Limburgers dienst deden in concentratiekampen. Een aantal van hen maakte zich daar schuldig aan ernstige misdrijven.
De onderzoeker benadrukt dat hij met zijn boek geen misdaden wil goedpraten. Hij probeert juist te achterhalen hoe mensen tot hun keuzes kwamen en onder welke omstandigheden zij handelden.
Voor zijn onderzoek sprak Manders met twee voormalige militairen en bezocht hij zo'n vijftig tot zestig families van mensen die in Duitse dienst waren geweest.
Daar merkte hij dat het oorlogsverleden nog altijd gevoelig ligt. In veel gezinnen werd na de oorlog nauwelijks gesproken over familieleden die aan Duitse zijde hadden gevochten.
Ook de kinderen van collaborateurs kregen het volgens Manders vaak zwaar te verduren. Ouders werden na de bevrijding opgepakt of geïnterneerd, waardoor gezinnen uit elkaar vielen. De gevolgen daarvan waren soms generaties later nog merkbaar.
Opvallend is dat Manders zijn onderzoek uitvoerde naast zijn werk in de bouw. Negen jaar lang besteedde hij zijn vrije tijd aan archiefonderzoek, gesprekken met nabestaanden en het reconstrueren van persoonlijke levensverhalen.