Driessen stelde zich altijd uitgebreid voor aan zijn klas: wie hij was, dat hij drie dochters had, wat zijn hobby’s waren. Daarna volgde de gebruikelijke waslijst aan regels en verwachtingen: wat je wel en niet moest doen, wat je mee moest nemen. “En dan besloot ik altijd: nou, alles wat je gehoord hebt vandaag mag je vergeten, maar morgen moet je drie dingen doen. A: in dit lokaal zijn. Twee: op tijd zijn. En drie: een agenda en een pen – dus eigenlijk vier dingen – bij je hebben.”
De klas knikte braaf. “Iedereen begrepen? Ja. Zeg het nog eens: dit lokaal, agenda, potlood en op tijd. Uitstekend. Tot morgen vroeg.”
Te laat
De volgende ochtend kwam er een leerling te laat. Weliswaar in het juiste lokaal – daar hadden anderen haar naartoe gebracht – maar verder ging het mis. “Wat had ze niet bij zich? Niet de boeken, niet de agenda, niet de pen. Dus alle dingen die ze zouden moeten doen, klopten niet.”
Huwelijk
Jaren later bleek hoeveel indruk het voorval had gemaakt. “Toen zij ging trouwen, kwamen haar vriendinnen mij vragen of ik dat hele zaakje nog eens wilde naspelen. Dat wilden ze gebruiken op de bruiloft.” En zo geschiedde. Driessen stapte opnieuw in de rol van mentor en herhaalde zijn bekende introductie voor een nieuwe zaal vol luisteraars. “Blijkbaar was het een groot succes. Dat vond ik een hele leuke herinnering.”