Pinda’s worden normaal gesproken vooral geteeld in landen met een warmer klimaat. De langere groeiperiode maakt gebieden in onder meer Noord- en Zuid-Amerika en China geschikt voor de teelt. Maar volgens Bodynek ontstaan door het veranderende klimaat mogelijk ook in Nederland nieuwe kansen.
“Het weer verandert en het klimaat schuift op. Daarom ben ik gaan proberen of het hier ook kan”, vertelt hij. Dat experiment lijkt te slagen. De planten hebben zich goed ontwikkeld en dragen volgens Bodynek zo’n 70 tot 100 pinda’s per plant.
Begonnen bij een boterham
Het idee ontstond enkele jaren geleden op een alledaags moment. Bodynek, student aan HAS green academy, stond ’s ochtends zijn boterham te smeren en vroeg zich af waar de pinda’s eigenlijk vandaan kwamen.
Na wat zoeken ontdekte hij dat pinda’s nauwelijks in Nederland worden verbouwd. “Toen dacht ik: waarom kan dat niet? Dus ben ik het zelf maar gaan proberen.”
Hij bestelde pindazaden bij een hobbywebshop en begon op kleine schaal. Het eerste resultaat was bescheiden: precies één pinda. Toch was dat genoeg om verder te gaan. Ieder jaar breidde hij zijn experiment verder uit en deed hij nieuwe kennis op over de teelt. Inmiddels maakt het project deel uit van zijn afstuderen.
Pinda groeit onder de grond
De pindaplant heeft een bijzondere manier van groeien. Na de bloei groeit vanuit de plant een uitloper naar beneden. Zodra die de bodem binnendringt, ontwikkelen zich onder de grond de pinda’s.
Na de oogst is het werk bovendien nog niet klaar. De planten moeten eerst ongeveer twee weken op het veld drogen. Daarna worden de pinda’s gedorst en geroosterd. Uiteindelijk kunnen ze worden verwerkt tot bijvoorbeeld pindakaas en snackpinda’s.
Juist dat drogen vormt in het Nederlandse klimaat nog een uitdaging. Het experiment draait daarom niet alleen om de vraag óf een pindaplant hier kan groeien, maar ook om de manier waarop de complete teelt en verwerking praktisch uitvoerbaar kunnen worden.
Pionieren met nieuwe gewassen
Dat de pindateelt op korte termijn een lucratieve onderneming wordt, verwacht Bodynek niet. Voor hem draait het vooral om experimenteren, leren en ontdekken wat er mogelijk is.
Hij trekt daarbij een vergelijking met de zoete aardappel. Ook dat van oorsprong tropische gewas was vijftien jaar geleden nog nauwelijks op Nederlandse akkers te vinden, terwijl er inmiddels verschillende Nederlandse telers mee werken.
Bodynek denkt dat meer gewassen die nu nog als exotisch worden beschouwd in de toekomst een plek op Nederlandse akkers kunnen krijgen. Hij hoopt dat voor de pinda hetzelfde geldt.
“Elk jaar kom je een stapje verder en leer je weer iets nieuws. We leren nog steeds en we zijn er nog lang niet. Dat vind ik juist het leukste: pionieren.”